Dossier · Brussel · sector 21004E72-

Roodhuisplein-Zuid: kroon­bedekking 26% onder de mediaan van de stad, 7.180 inwoners

Waarom geld voor vergroening naar deze sector moet gaan, en hoe het resultaat getoetst wordt met dezelfde methode die de toestand ervan mat.

Eenheid
Statbel-sector
Nulmeting
zomer 2024
Beelden
Sentinel-2, Dynamic World
Gemeten tot
zomer 2026
Open in de atlas →

Steekkaart

Wie hier woont en wat er in de buurt is

inwoners
7.180
kinderen onder 15
1.71625%
65 jaar en ouder
5508%
mediaan belastbaar inkomen, Statbel 2023
€ 22.558
kroon­bedekking, kans per klasse
0,043
bebouwd en verhard, kans per klasse
0,667

Naar kroon­bedekking hoort de sector bij de laagste 27% van de stad, naar groenheid bij de laagste 16%. Het inkomen ligt onder de grens van het laagste derde (€ 24.154): hier komen twee tekorten samen, weinig groen en weinig geld.

Hoe de sector gekozen werd. Volgens een regel, niet met de hand: het laagste derde naar inkomen, het laagste derde naar kroon­bedekking, een zomerse opper­vlakte­tempe­ratuur minstens 1 °C boven de mediaan van de stad, een gemeente die niet onder de vrijstelling van artikel 8, lid 1 valt, minstens 500 inwoners; en daarvan de sector met de meeste kinderen onder 15. Er voldoen er 110; dit dossier gaat over de eerste.

Toestand

Waar de sector staat op de schaal van de stad

Boom­kroon­bedekkingstadsmediaan 0,059

0,043

26% onder de mediaan van de stad

Groenheidstadsmediaan 0,415

0,264

36% onder de mediaan van de stad

Bebouwdstadsmediaan 0,662

0,667

op de mediaan van de stad

Het streepje is de mediaan van de stad, de balk de sector. Klassewaarden zijn waarschijnlijkheden, geen gedeelten van de grond: vergelijk ze tussen sectoren, maar lees ze niet als percentages van de oppervlakte.

Trend

Vanzelf wordt het niet beter

Ten opzichte van twaalf vergelijkingssectoren veranderde de groenheid over de zomers 2017–⁠19 → 2021–⁠24 met +0,0132, bij een significantiedrempel van 0,0345, en de kroon­bedekking met +0,0006, bij een drempel van 0,0144. De verandering bleef onder de drempel: de sector staat stil.

De vergelijking gebeurt met ver­ge­lij­kings­plaatsen, niet met het eigen verleden van de sector. Zonder de ver­ge­lij­kings­plaatsen af te trekken, laat de verschuiving van +0,032 over de hele stad 263 van de 668 sectoren (39%) ‘significant groener’ lijken; na aftrek blijven er 16 over.

Na de nulmeting, in de seizoenen 2025–⁠2026, overschreed niets in de sector de drempel.

Wat dit niet bewijst. Geen groei is geen bewijs dat de stad niets deed: hier kunnen werken zijn uitgevoerd die de methode niet ziet. Herstel van bestaand groen is door de opzet van de methode niet in deze cijfers te zien, en verspreide straatbeplanting verdrinkt in de oppervlakte van de sector.

De wet telt deze sector mee. De gemeente Brussel komt niet in aanmerking voor de vrijstelling van artikel 8, lid 1: 35,1% groen in de stedelijke centra en clusters, bij een drempel van 45% (de methode van de Commissie, CLCplus 2021). Wat hier geplant wordt of verloren gaat, telt mee in het nationale totaal, dat geen nettoverlies mag lijden.

Rechtvaardigheid

Het armste derde van de stad leeft met de helft van de kroon­bedekking

GroepMediaan inkomenKroon­bedekking 2024Groenheid 2024
Laagste derde naar inkomen€ 21.3860,0510,313
Hoogste derde€ 31.9260,0900,494
Roodhuisplein-Zuid€ 22.5580,0430,264

Niveaus van zomer 2024, gewogen naar bevolking; inkomensderden per sector, Statbel 2023.

De kroon­bedekking van het laagste derde is 0,56 van die van het hoogste derde. Verordening (EU) 2024/1991 eist tegen 2030 geen nettoverlies van groen en kroon­bedekking, maar zegt niets over hoe die over de buurten verdeeld zijn; VN-indicator 11.7 en de Tree Equity Score doen dat wel. De sector ligt zelfs voor zijn eigen groep onder het gemiddelde.

Wie hier schaduw mist. Kinderen onder 15 in de sector: 1.716 (25% van de inwoners); mensen van 65 jaar en ouder: 550 (8%), van wie 125 ouder dan 80. Dat zijn de groepen voor wie hitte het gevaarlijkst is. In de hele stad woont 46% van alle kinderen in het derde van de sectoren met de minste kroon­bedekking, dus het tekort aan schaduw is niet gelijk verdeeld, en het treft hen het hardst. Deze sector hoort bij dat derde.

Hier komen de regel en de hitte samen. Volgens de 3-⁠30-⁠300-regel van de stadsbosbouw is aan geen van beide meetbare delen van de regel voldaan: de kroon­bedekking beslaat 9,5% van de sector in plaats van 30%; 12% van de oppervlakte ligt binnen 300 m van een park in plaats van de helft. De zomerse opper­vlakte­tempe­ratuur is hier 37,1 °C, 1,5 °C boven de mediaan van de stad. Hoe minder kroon­bedekking, hoe warmer: in de hele stad is het verband bijna deterministisch (r = −0,89), en deze sector zit op beide schalen tegelijk aan het slechte uiteinde. De temperatuur beschrijft hier een toestand: het project meet niet of een ingreep afkoeling brengt, omdat de significantiedrempel daarvoor groter is dan een realistisch parkeffect.

Wat hier komt

Waar City Planner de eerste objecten plaatst

Geen van de eerste twintig kandidaten van City Planner, van welke soort ook, valt in deze sector.

Wat een ingreep kan opleveren

Drie gemeten gevallen in plaats van beloften

IngreepEffectDrempelKeerLezing
Porte de NinoveBrussel: braakland langs het kanaal → park, 2,3 haBoven de ruis in 7 van de 7 zomers na de opening.+0,2460,0366,8×Boven de ruis in 7 van de 7 zomers na de opening.
DroogdokkenparkAnt­wer­pen: oude dokken → een park aan de kadeBoven de ruis in 7 van de 8 zomers na de opening.+0,1470,0463,2×Boven de ruis in 7 van de 8 zomers na de opening.
Park Spoor NoordAnt­wer­pen: rangeerterrein → park, 19,5 haBoven de ruis in 14 van de 15 zomers na de opening.+0,1480,0582,6×Boven de ruis in 14 van de 15 zomers na de opening.

Dit is geen voorspelling voor deze sector, maar de bandbreedte die bij vergelijkbare werken gemeten is: een verandering van bodembedekking over het grootste deel van een terrein geeft een effect van drie of meer keer de drempel, en dat houdt jaren stand. De grootte hangt af van wat er vroeger lag: braakland levert meer op dan een kade die al groen was.

Wat deze tabel bewust weglaat. Afkoeling: de significantiedrempel voor de opper­vlakte­tempe­ratuur kwam uit op 1,32 °C, meer dan het realistische effect van een stadspark, dus hier staan geen beweringen over graden. De kostprijs van een effect: prijzen zijn alleen binnen één soort werken vergelijkbaar, en de budgetten van vergelijkbare projecten zijn maar gedeeltelijk gepubliceerd.

Engagement

Wat we precies zullen toetsen, en wanneer we een oordeel weigeren

  1. De omtrek van de werken ligt vast voordat ze beginnen. De polygoon, zijn hash en de datum gaan het register in vóór de eerste werkdag. Achteraf de omtrek tekenen rond wat groen werd, wordt zo onmogelijk.
  2. Tegelijk worden de ver­ge­lij­kings­plaatsen benoemd. 12 sectoren die op het terrein lijken in zijn toestand vóór de werken, geen enkele dichter dan 1,5 km. De lijst wordt vóór de meting gepubliceerd; als er geen vergelijkbare plaatsen bestaan, wordt dat als weigering geregistreerd, niet bijgesteld.
  3. De drempel komt uit de ijking van de stad, niet gekozen naar het resultaat: de nulverdeling wordt berekend met dezelfde koppeling en dezelfde beelden als de audit zelf, zoals de drempel van de trend hierboven.
  4. Het vergelijkingsvenster wordt opgebouwd vanaf de opleveringsdatum: een nulmeting voordat de werken beginnen, de beoordeling twee jaar nadat ze eindigen. Vallen de werken binnen een venster, dan weigert de audit te rekenen.
  5. Voor een oordeel zijn twee instrumenten nodig. Groenheid en klassen van bodembedekking uit dezelfde beelden: het eerste zegt dat er iets veranderde, het tweede wat precies, tot ‘onthard maar niet beplant’ toe.
  6. Een weigering is een gepubliceerde uitkomst. Minder dan 8 beelden in een venster, een verschil met de ver­ge­lij­kings­plaatsen groter dan 0,04, werken buiten het venster: dan volgt geen oordeel, en dat wordt naast de resultaten gepubliceerd.

Grenzen

Wat de methode niet zal meten, ook als alles goed gebeurt